• Foto1
  • Foto10
  • Foto11
  • Foto12
  • Foto13
  • Foto14
  • Foto15
  • Foto16
  • Foto17
  • Foto18
  • Foto2
  • Foto3
  • Foto4
  • Foto5
  • Foto6
  • Foto7
  • Foto8
  • Foto9

De laatst verschenen uitgave van Kondschap is van maart 2018. 
 

Kondschap staat deze keer in het teken van de Tweede Wereldoorlog. Een oorlog die één grote, wereldwijde tragedie was, met miljoenen doden en gewonden, duizenden verwoeste steden en dorpen en enorme vluchtelingenstromen. Maar ook een oorlog die bestond uit een groot aantal 'kleine' tragedies en gebeurtenissen, die zich afspeelden in steden, dorpen en buurtschappen. Ze haalden meestal de geschiedenisboeken niet, waren vaak niet eens bekend bij veel mensen die in dezelfde buurt woonden, maar hebben wel diep ingegrepen in het leven van gewone mensen. Ook van mensen in 'ons' gebied, Vollenhove, het Hoge Land en Sint Jansklooster. Kondschap probeert een aantal van deze gebeurtenissen in herinnering te roepen.
 
Zo is lange tijd onbekend gebleven dat vanuit Vollenhove twee jonge Joodse mannen, David en Simon de Levie, al in 1942 werden weggevoerd naar het vernietigingskamp Auschwitz in Polen. Daar werd Simon nog hetzelfde jaar vermoord en David het jaar daarop. Hun namen komen voor op het monument bij de Joodse begraafplaats in Blokzijl, dat pas in 1999 werd opgericht.
 
Ook op het Hoge Land hadden mensen onderduikers in huis, hetgeen natuurlijk zoveel mogelijk geheim moest blijven omdat het levensgevaarlijk was. Toch gebeurde het en het verhaal over 'tante Hillegien', die weduwe was met acht kinderen en toch grote aantallen onderduikers een schuilplaats bood, is slechts één voorbeeld.  
Tante Hillegien kreeg in de oorlog vaak bezoek van Hennie Winters, die haar hielp met het schillen van de aardappels, emmers vol, want ook de onderduikers moesten daarvan eten. Haar zoon, Albert Schonewille dook diep in zijn geheugen en wist nog een oud opstel te vinden dat hij als twaalfjarige mavo-scholier had gemaakt. Dat ging over zijn moeder, die op zeventienjarige leeftijd werd opgepakt en een nacht vastzat op het door de Duitsers aangelegde vliegveld bij Havelte.
 
En dan zijn er de verhalen over bemanningen van geallieerde vliegtuigen die door Duits luchtafweergeschut werden geraakt of in luchtgevechten werden neergehaald. Ze kwamen vaak aan parachutes naar beneden en moesten snel verborgen worden, waarna het verzet ze verder kon helpen. Soms was dat behoorlijk lastig omdat de vliegers en hun helpers elkaar vaak niet konden verstaan, wat makkelijk tot misverstanden kon leiden. Het helpen van geallieerde bemanningsleden was natuurlijk ronduit gevaarlijk omdat Duitse soldaten en Nederlandse NSB-ers jacht op het maakten. Maar het gebeurde wel op het Hoge Land en in de Wieden. Klaas ten Napel, die nu in de Barsbeek woont, kan er alles over vertellen en zal nooit vergeten hoe daar op 24  maart 1944 Charles Philip Miller, staartschutter van een Amerikaanse B-24 Liberator bommenwerper, zo maar uit het riet tevoorschijn kwam.
 
Maar er is ook een vertederend stuk over visser Albertus Maria de Boer, in Vollenhove beter bekend als Abe de Poeleboer, die in Schokker kostuum met Seyss-Inquart op de foto moest. Hij was blind en al in de tachtig en werd in feite misbruikt door de Duitse bezetter. Later bleek dat toch nog ergens goed voor te zijn.
 
De oorlog trof dichtbevolkte stedelijke centra harder dan dorpen en buurtschappen op het platteland. Grote steden werden het eerst gebombardeerd en het eerst getroffen door tekorten aan voedsel. Dáár werd ook het eerst honger geleden. Op het platteland was het voedseltekort veel minder nijpend en van een regelrechte hongersnood was er geen sprake.
Vandaar dat vooral in de hongerwinter van 1944-'45 duizenden mensen vanuit het westen naar het platteland trokken om voedsel te zoeken voor zichzelf en hun gezinnen. Ze kwamen ook in onze contreien. En om hun kinderen nog beter te beschermen tegen de honger kozen veel ouders in de westerse grote steden ervoor hun kroost voor langere tijd naar het platteland te sturen. Bleekneuzen werden ze ook wel genoemd.
 
Twee van hen staan in Kondschap. Doeke de Graaff, geboren op 18 december 1929 in Voorburg, dichtbij Den Haag, was in de zomer van 1942 al eens in het Overijsselse Nieuwleusen terecht gekomen. Een jaar later kwam hij in Vollenhove en het jaar daarop, in 1944, belandde hij aan de Noorde, tegenover het pontveer naar Genemuiden. In januari '45, was de hongersnood in Voorburg zo nijpend dat Doeke en twee broers opnieuw naar het platteland werden gebracht. Ze gingen naar Friesland, maar na veel omzwervingen kwamen ze uiteindelijk toch weer terecht in Vollenhove waar ze de laatste dagen van de oorlog meemaakten. Doeke de Graaff en zijn broers gingen na de bevrijding terug naar huis in Voorburg. Momenteel woont hij met zijn vrouw in Harderwijk.
 
Een heel ander verhaal is dat van Jan Willem van Welie. Hij werd in september 1932 geboren in Harderwijk, als jongste van acht kinderen. Het gezin Van Welie verhuisde in 1939 naar Amersfoort waar de oorlog meteen dichtbij kwam toen ze deze stad in 1940 tijdelijk moesten verlaten omdat Amersfoort deel uitmaakte van de Hollandse waterlinie. De hongerwinter raakte ook Amersfoort en vader Van Welie ging met zoon Jan op pad naar het Oosten en streken neer in Sint Jansklooster. Vader ging in '44 al terug, maar Jan bleef en werd liefderijk opgevangen door Jurriën en Aaltje Spans van de Grindweg. Jan is nooit meer weggegaan uit Sint Jansklooster. 
 

Dedico ICT

Copyright © 2015. All Rights Reserved.