• Foto1
  • Foto10
  • Foto11
  • Foto12
  • Foto13
  • Foto14
  • Foto15
  • Foto16
  • Foto17
  • Foto18
  • Foto2
  • Foto3
  • Foto4
  • Foto5
  • Foto6
  • Foto7
  • Foto8
  • Foto9
Uit: ARCHEOLOGISCHE KRONIEK VAN OVERIJSSEL OVER 1977-1978
door A. D. VERLINDE (destijds provinciaal archeoloog - het huidige depot in Deventer is naar hem vernoemd).
 
Reeds sedert 1968 wordt onderzoek gedaan naar de resten van het voormalige veendorpje Beulake, gelegen in het noordwesten van de huidige Beulakerwijde. Dit onderzoek bestaat in de eerste plaats uit duikwerkzaamheden van vooral de heren Rint Massier (uit Staphorst) en T. Mur, die een uitstekende samenwerking onderhouden met de ROB. De voorlopige resultaten van het onderzoek vonden hun weerslag tot op heden alleen in de permanente archeologische expositie van het Provinciaal Overijssels Museum te Zwolle. Alvorens enige archeologische gegevens te noemen past het een toelichting van historische aard te geven. In het dijkrecht van Vollenhove wordt omstreeks 1360 'Bodelaecke' als oudste naam voor de streek vermeld, welke lake-naam op een grensaanduiding moet wijzen. Deze naam lijkt moeilijk in overeenstemming te brengen met de alternatieve naam 'Boolakker' voor Beulake, wat zoveel betekent als stierenweide. Hoe dit ook zijn moge, over het ontstaan van het veendorpje Beulake in 'het hoge moer' is nauwelijks meer bekend, dan dat het omstreeks 1600 ontstaan moet zijn door de plaatselijke trek van veenarbeiders naar het noorden. De stichting van Beulake en zeker zijn ontsluiting zullen in belangrijke mate beïnvloed zijn geweest door de Aremberger gracht, gegraven op instigatie van de graaf van Aremberg, stadhouder van Overijssel van 1548 tot 1568. Deze Aremberger gracht liep van Zwartsluis, via het later ontstane Beulake naar Blokzijl. Omstreeks 1650 groeide het inwonertal van Beulake en in 1666 werd er een (Nederlands Hervormd) kerkje gesticht. Pas in 1745 werd het echter een kerkdorp door de benoeming van een eigen dominee. Vóór 1745 behoorde Beulake kerkelijk tot Vollenhove. Een volkstelling uit 1748 geeft aan, dat Beulake toen 288 inwoners telde, behorend tot 66 gezinnen. Een stormvloed in november 1775 teisterde noordwestelijk Overijssel,maar bracht in Beulake weinig schade teweeg. De stormvloed van november 1776 echter betekende het einde van de bewoning van Beulake. Om het aanschouwelijke karakter citeren wij hier enige regels van J. H. Hering (1778, p. 208) over de watersnood van 1776. 'In de Beulake was het byzonder ellendig gesteld. Dit Dorp door zyne nabyheid aan den Zeedyk, en dus voor den eersten aanval des waters blood liggende, en meest bestaande uit groote veenplassen,streckte het eerst en meest ter woede van de Zee: de huizen en turfschuuren, van de ingezetenen, werden ylings door de baren vernield; derzelver turf (welker koopmanschap aldaar ter plaatse, het eenig middel van der inwoonderen bestaan uitmaakt) ja groote stukken Veenlands dreven weg;'.

Mede door de open ligging heeft het water in 1776 zo verwoestend in het dorp gewerkt. De laatste zichtbare resten van Beulake, met name van de in 1776 nog gespaarde kerk, verdwenen pas in de stormvloed van 1825. Het veeneiland, ter plaatse waarvan dit kerkje stond, is heden ten dage nog bekend onder de naam 'het oude kerkhof’. Het gehele gebied staat onder de zorg van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten te Amsterdam. Beulake moet men zich voorstellen als een langgerekt dorp, zoals alle veendorpen, bijvoorbeeld Beltschutsloot. Gezien de nu bekende vondstverspreiding lag het dorp zeer waarschijnlijk dwars op de Aremberger gracht, dus noordoost-zuidwest georiënteerd, met het zwaartepunt ten zuiden van deze gracht, waar ook het kerkje heeft gestaan. In de afgelopen tien jaar is een flinke hoeveelheid vondsten opgedoken. Deze vondsten bestaan voor ca. 90% uit rood aardewerk: schalen, kommen, kannen, steelpannen en potten. Behalve de potten is dit aardewerk meestal fleurig versierd, de kannen en kommen relatief het meest met slibversiering. Deze laatste categorie draagt soms jaartallen, zoals een fraaie stroopkan uit 1716, een dito scherf uit 1680 en een grote schotel uit 1720.

Het overige aardewerk bestaat uit (scherven van) groen geglazuurd aardewerk, baardmankruiken (éénmaal nog met de lucht van olie of traan), majolica, divers steengoed, alsmede enig porselein. Van de overige vondsten kunnen wij noemen: glazen flessen, resten van veenschoppen, muntjes (bijna uitsluitend duitjes van Overijssel, Gelderland en Holland uit 1684-1769), 2 gietijzeren kookpotten, enige tinnen lepels, pijpjes van witte klei, geelbakkende steen (zgn. drielingetjes), plavuizen, estrikken en een koperen tabaksdoos. Het deksel van deze tabaksdoos draagt in het midden de tekst:
o soete herder in - mijn hart mijn vrolijk weese geniet ik maar U gunst soo was - mijn pijn geneese.

De teksten op de zijkanten van de doos luiden:
Wie leeft ter Nu ter teijt
die het wel gaat onbeneijt
en Vrintschap te toone sonder gunst
dat is een aart van judas kunst.
 
 
Literatuur:
J. H. Hering, - Bespiegeling over Neerlandsch waternood, tusschen den XXI sten en XXlI sten november, MDCCLXXVI, Amsterdam.
J. Westra van Holthe, - Vollenhove 1354-1954 en haar havezathen, Assen, 1958.

De tabaksdoos en andere voorwerpen zijn te zien in het Stadsmuseum Vollenhove. De eigen verzameling voorwerpen uit Beulake, in 2010 geschonken door Rint Massier na een tentoonstelling in het Stadsmuseum, is aangevuld met bruiklenen uit het Provinciaal Depot A.D. Verlinde in Deventer.



Inmiddels is er veel meer bekend over Beulake, zie Beulake - de reconstructie van een dorp dat verdronk, maar nooit verdween

Dedico ICT

Copyright © 2015. All Rights Reserved.